Bezinning
Wij zitten een avond bij elkaar: vrienden vanouds. De glazen zijn genadig, de spruitjes feilloos. Soms zegt iemand: je ziet er goed uit. Er is gedeelde tijd door ons heen gegaan, dat schept mildheid en samenhang.
Wij wisselen woorden uit als kleine strelingen en wij weten: alles is afscheid. Daar proberen wij mee te leven.
Waar wij het over hebben: tijdzones. Nù zijn er kinderen, vroeger waren we dat zelf, daartussen zijn er ouders gestorven. Straks lopen ook wij af en gaan zij door. Tijden beginnen, tijden lopen, tijden wisselen. Allemaal vanzelfsprekend. Maar hoe wij dat allemaal door elkaar doen: soms zijn de dagen onmogelijke klimladders. Klimt er een kind op onze levende schoot, dan klimmen wij steeds vaker zelf in het hoofd op een dode schoot van vroeger. En dan stijgen herinneringen als vocht in onze lichamen.
Iedereen van ons is al dakloos. De ene helemaal, de andere half.
Ouders zijn puntdaken. Eerst valt de ene helft weg, later de andere. Soms tegelijk. Dan staat het bestaan in de open lucht, dan tocht het ineens verschrikkelijk om ons heen. Overal ademtochten door elkaar. Vervolgens moeten wij zelf dak worden.
En niets zo dakloos als het dak zelf.
Dat is het moeilijkste, stellen wij vast: hoe gerimpeld ook, alles blijft een kind. Maar ooit worden alle ouders wezen en alle wezen ouders. En van het grootste belang: hoe wij afscheid nemen.
Iemand onder ons heeft het helemaal kunnen doen, dagenlang dàg zeggen. Iemand maar half, iemand helemaal niet. Het scheelt een leven lang in het verdriet.
Later, wanneer wij moe zijn van spreken, uren en wijn, gaan wij uit elkaar. Omhelzing hier, zoen daar. Iemand zegt, tot binnenkort. Alle lichamen knikken. Het afscheid is opgeschort. Meer kunnen wij niet doen: het afscheid omhelzen en over- en overdoen.
Bron: DeMorgen, Dakloos, Camps&Dewulf, Bernard Dewulf, 20-10-2008
vree just, en vree schoon, en vree pijnlijk, en vree alles